Grote kat & Kleine kat

grotekatkleinekat

‘De ogen van een dier hebben een grote sprekende kracht. Zelfstandig, zonder enige medewerking van geluid en gebaar, met de meeste zeggingskracht, wanneer zij helemaal in hun blik rusten, spreken zij het geheim uit in zijn natuurlijke opsluiting, dat wil zeggen in de bangheid van het worden. Deze toestand van het geheim kent alleen het dier, alleen het dier kan die voor ons openen – een toestand, die zich slechts laat openen, niet openbaren. De taal waarin het geschiedt, is wat zij zegt: bangheid – de beweging van het schepsel tussen de rijken van de plantaardige zekerheid en van het geestelijk waagstuk. De taal is het stamelen van de natuur, wanneer de geest voor het eerst vat op haar heeft, voordat zij zich aan hem overgeeft voor zijn kosmische waagstuk dat wij mens noemen. Maar geen spreken zal ooit herhalen wat stamelen in staat is mede te delen.
Af en toe kijk ik in de ogen van een huiskat. Het getemde dier heeft beslist niets van ons, zoals wij ons soms inbeelden, de gave van de echt «sprekende» blik ontvangen, maar slechts – ten koste van de elementaire onbevangenheid – de bekwaamheid die blik op ons, ondieren, te werpen. Waarbij nu echter in die blik, in zijn ochtendschemering, opkomend nog, iets van verbazing, van vraag is gekomen, dat aan de oorspronkelijke blik in al zijn bangheid toch helemaal ontbreekt. Deze kat begon haar blik ontegenzeggelijk met een vraag aan mij, onder de glimp van mijn blik opgloeiend: «Kan het zijn dat je mij bedoelt? Wil je werkelijk niet slechts dat ik grapjes voor je maak? Ga ik je iets aan? Ben ik aanwezig voor jou? Ben ik aanwezig? Wat is dat aanwezige van jou uit? Wat is dat aanwezige voor mij? Wat is dat?!» («Ik» is hier de omschrijving van een woord dat het zelf zonder ik weergeeft en dat wij niet hebben; onder «dat» moet men zich de stromende blik van de mens voorstellen in de gehele realiteit van zijn relatiekracht.) De blik van het dier, da taal van de bangheid, was er nog maar net, hoog opgekomen – of hij ging al weer onder. Mijn blik hield het langer uit, maar het was niet meer de stromende blik van de mens.
Op de wenteling van de wereldas die het relatieproces inleidt, was bijna direct een wenteling gevolgd die het beëindigt. Zojuist nog had de Het-wereld het dier en mij omgeven, een blik lang had de Jij-wereld gestraald vanuit de diepte, nu was zij alweer uitgedoofd terug in de Het-wereld.
Om de taal van dit bijna onmerkbare opkomen en ondergaan van de zon van de geest vertel ik dit nietige voorval, dat mij ettelijke malen is overkomen. Aan geen andere taal heb ik zo diep de vergankelijkheid van de actualiteit in alle relaties met een wezen leren kennen: de verheven melancholie van ons lot, dat ieder afzonderlijk jij door een beschikking van het lot een Het wordt. Want anders lag er tussen ochtend en avond van het gebeuren zijn dag, hoe kort ook, hier echter vloeiden ochtend en avond wreed ineen, het lichte Jij verdween: was de last van de Het-wereld werkelijk wel een blik lang van het dier en mij afgenomen? Ik kon er in ieder geval nog over nadenken, maar het dier was uit het stamelen van zijn blik in de sprakeloze, bijna herinneringsloze bangheid teruggezonken.
Hoe machtig is het toch, dit continuüm van de Het-wereld, en hoe teer zijn de verschijningen van het jij!’
Martin Buber. Ik en Jij. 113/114.


Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *